Traject 1, tot de Belgische grens

Na twee dagen van heftige regen en windvlagen die je de rillingen bezorgen, verdwijnen de wolken net zo snel als ze gekomen zijn en een waterig zonnetje komt te voorschijn. Eerder deze maand heeft de lente ons verrast met een paar dagen zon en heerlijke voorjaarstemperaturen. Deze weeromslag is een domper op het voorjaarsgevoel. Het voorjaar is dan nog wel jong maar veel ervan hebben we nog niet kunnen proeven. Ons besluit om Nederland voor een paar maanden achter ons te laten en de kanalen van Frankrijk te gaan bevaren, lijkt meer dan terecht, ofschoon de beweegredenen voor deze reis meer het avontuur dan het weer betreffen. Het is een lang gekoesterde wens, die dan nu eindelijk werkelijkheid kan worden. Gelukkig zijn de voorbereidingen voor de reis grotendeels achter de rug. De vereiste papieren zoals het ICC, ICP en vlaggebrief zijn keurig door de ANWB verzorgd en binnen een week ontvangen. De boot is inmiddels zo vol gepakt dat het lijkt alsof we van plan zijn dit jaar niet meer terug te keren. Ans heeft echter het motto: je weet maar nooit, beter te veel dan te weinig; 3 maanden is dan ook niet niks, niet waar. Niet dat de afweging over wat mee moet en wat perse niet, zo gladjes is verlopen. Vele discussies gingen hieraan vooraf. De lijsten met benodigdheden die we beschikbaar hebben in de computer, overigens niet voor de boot maar al enkele jaren eerder voor het kamperen samengesteld, blijken duidelijk tekort te schieten. Varen is iets anders dan kamperen, dat blijkt. We blijven bijschrijven op de inmiddels vele bladzijden tellende lijst. Ik meen Ans te moeten waarschuwen dat meer lading het risico voor zinken onderweg wel erg reëel maakt. Ze heeft hier blijkbaar geen probleem mee want, voor alweer de volgende zak vol met God weet wat, wordt mij verzocht een plaatsje te zoeken.

Ook de praktische zaken aan boord passeren de revue. De messen die zowel voor als achter op het dek een plaatsje moeten krijgen. Handig voor het geval we eens zitten te slapen in de sluis. Het zal toch echt wel een keer gebeuren dat we onszelf, het schip dan, ophangen bij één van de honderden sluizen die ons te wachten staan.

Alle denkbare kraan- en slangaansluitingen zijn aangeschaft en in een doos opgeborgen, volgens mij niet alleen een oplossing voor de Franse watertappunten, maar ook meteen voor heel Afrika en nog een paar andere continenten. Water zullen we kunnen tappen, reken maar, als de doos op het moment suprème maar gevonden kan worden.

Ans heeft kleren gepakt voor warm, koud, nat en droog weer. De partij jassen die mee moeten, lijkt veel op een klerenrek van C&A tijdens de uitverkoop, omdat volgens haar naast koud en warm ook nog rekening gehouden moet worden met regen, storm, sneeuw en nog een paar andere natuurrampen.

Voorlopig zullen we het prettige gevoel van vakantie nog even in moeten inruilen voor verheven gedachten over stootwillen, touwen en lijnen, vlonders van de rubber boot die nog geschuurd en geschilderd moeten worden, de buitenboordmotor die proef moet draaien, gasflessen en nog een paar van dit soort zaken.

De dag nadert gelukkig snel voor de afvaart en het avontuur. Eén van de kinderen is stand-by om wat er nog vergeten is, achter ons aan te brengen. We hebben als uiterste “brenggrens” een straal van 100 km getrokken om het niet te gek te maken. Laten we maar zeggen dat we daarna echt op onszelf zijn aangewezen. Alle hulptroepen zijn ingeschakeld om het thuisfront te bewaken. Een “tuinman”, een vriend des huizes, zorgt ervoor dat we geen hartverlamming krijgen als we terugkomen. De post wordt doorgestuurd naar één van de kinderen zodat we ons hierover geen zorgen hoeven maken. We denken dat alles geregeld is. Het zal nog wel blijken of dat zo is.

Het vertrek is daar, dus starten, losgooien en op weg. Let’s go. Op naar de Mijndertse sluis die ons van de Loosdrechtse plassen naar de Vecht zal schutten. De eerste van de paar honderd die komen. De sluiswachter Leo Oor vraagt of we vandaag nog terugkomen. Dat kan hij vergeten. Hij scheldt quasi op al die gepensioneerde lui die maar kunnen doen en laten wat ze willen en hij moet maar werken. Drie maanden Franse rivieren stelt hij nog maar een paar jaar uit, zegt hij vriendelijk. In ieder geval Bon Voyage!

Het is de eerste keer dat we niet binnen 3 of 4 weken terug moeten zijn. Daarom is het een vreemd gevoel dat bezit van ons neemt. Twee, drie of vier maanden, wat maakt het uit, maar het is wel even wennen.

Na de sluiswachter, met een plagende grijns op ons gezicht nog even toegezwaaid te hebben, draaien we de Vecht op. We voelen ons nog niet echt met vakantie, maar omdat het zonnetje er door komt en de weerberichten voor de komende dagen veelbelovend zijn, begint het erop te lijken.

Als we aan het eind van onze eerste dag de balans op maken, stellen we aangekomen in de jachthaven van Wijk bij Duurstede vast dat de eerste 6 uur van onze tocht aangenaam en probleemloos zijn verlopen.

Foto 1 Haven Wijk bij Duurstede

Ook het weer heeft ons niet in de steek gelaten.  De finale van deze dag bestaat uit een dineetje op het achterdek met een Frans wijntje, gekocht bij een Nederlandse grootgrutter. We besluiten de gezellige bar in de jachthaven maar te vergeten en er vroeg in te duiken.

De volgende dag, zondag, staat in het teken van de zon, weinig drukte op het water en probleemloos ronkende motoren. We zijn om 9.00 uur vertrokken en liggen om 10.15 uur al in de Prins Bernard-sluis waarna we de Waal opvaren. De Waal is zelfs op zondag een onaangename rivier. Met de vele duwcombinaties is het beslist oppassen geblazen. Soms is het zo bedreigend dat we tussen de kribben moeten vluchten. We zijn blij als we om 16.00 uur op de Mokerplas arriveren. Bij de Plasmolen is het gezellig en we vinden een goed plaatsje.

Maandagmorgen vertrekken we wederom met een zonnetje maar er is een koude wind. Achter het windscherm is het echter aangenaam. Na de sluis Sambeek stellen we vast dat we met de dieselolie België misschien niet halen en besluiten bij W.S.V. De Maas in Blerick een 100 liter dieselolie te gaan tanken. Jammer want we zijn zo dicht bij goedkope Belgische dieselolie. De nacht brengen we door in de nieuwe haven van Venlo, midden in de stad. Na het aanleggen willen we de stad in om boodschappen te doen. Ik heb er een beetje moeite mee om het schip alleen te laten. Bij aankomst hing er een maf figuur over de rand naar ons schip te staren. Een half uur later zijn het er vijf. Als de haven nou vol zou liggen maar er kan maar uit twee boten gekozen worden als ze wat willen. We gaan natuurlijk wel de stad in maar we lopen voor alle zekerheid nog een keertje lang de haven. Er is niks aan de hand natuurlijk. Op de markt kopen we asperges die we ‘s avonds met hard gekookte eieren, gesmolten boter en aardappelen met smaak verorberen. We zijn ‘s avonds zo tonnetje rond dat we niet anders meer kunnen dan lekker onderuitgezakt zitten lezen.

Het volgende doel is Roermond. Direct na Venlo hebben we de Belfelt-sluis. Groot en breed maar niet snel. Als de sluisdeuren dicht zijn houdt het systeem het bij het begin van de waterinstroom voor gezien. De sluiswachter informeert ons na een kwartiertje over de problemen. Er moet een monteur komen dus even geduld. We strekken ons uit en gaan liggen bakken in de zon want het is inmiddels knap warm geworden. Na twee en half uur worden we weer uit de sluis bevrijd. Onze aankomst in Roermond is vroeg in de middag. De overweging in Roermond zelf te gaan liggen, laten we varen. Als je geen zin hebt dat mensen vanuit de hoge flats die naast de havens zijn gebouwd, op je bordje kijken dan kun je beter één van de kleine haventjes verderop opzoeken. Het haventje van Hateboer is snel gevonden en we zoeken zelf maar een plaatsje aan een lange kopsteiger. De havenmeester is niet te vinden. Hij is ergens aan het grasmaaien met zijn trekker, vertelt iemand.

Ook de volgende morgen is hij onvindbaar. Wel horen wij in de vroege ochtend weer een maaimachine en ook het geluid van de tractor. Hij zal gisteren waarschijnlijk niet klaar gekomen zijn. We zien de havenmeester dus niet en vertrekken, schichtig achterom kijkend, zonder liggeld af te rekenen richting Maastricht. We volgen het Julianakanaal dat weinig opwindends te bieden heeft. Niet lelijk niet mooi, gewoon een vaarweg om je doel te bereiken. Na 4 sluizen te zijn gepasseerd naderen we Maastricht en proberen we vast te stellen waar we zullen gaan liggen. Niets ziet er echter gunstig uit. De echte haventjes liggen buiten de stad en even naar de stad is er dan niet bij. De nieuwe haven “Het Bassin” is nog niet open. Ergens aan de kade is het enige alternatief; niet echt aantrekkelijk maar je moet wat. De nog een beetje aangenaam uitziende plekjes, zijn echter allemaal reeds bezet. We varen daarom nog maar een stukje door tot we de bogen van de voetgangersbrug voor ons zien.

Foto 2 Maastricht

Midden in het water zien we een aanlegsteiger, opgesloten tussen en met verbinding naar twee bruggen. We dobberen even aarzelend langs de boten die alle aanlegplaatsen reeds bezetten en zien het somber in, tot een vriendelijke schipper van een platbodem een gebaar maakt dat we verstaan als: kom maar tegen me aan liggen. Het blijkt te kloppen, we zijn welkom en bij de eerste kennismaking blijkt het bovendien te klikken tussen beide partijen. De schipper blijkt het een week uit te moeten houden zonder zijn vrouw. Zij is met een vriendin een weekje met vakantie in Frankrijk.

Als we vastliggen verschijnt een kleine man op de kade. Hij vraagt onze vriendelijke schipper, die hem blijkbaar kent, of hij een pilsje bij hem kan vatten. Als je met twee schepen tegen elkaar ligt hoor je er direct bij. Ook ik krijg een pilsje. Ans neemt liever een eigen wijntje. We zouden nu met z’n vieren kunnen klaverjassen, maar nee. De heren, onze buurman Hans en vriend Niels, vatten niet alleen een pilsje maar ook hun muziekinstrumenten. Hans de gitaar en Niels mondharmonica. Niels is voor ons meteen Toets Thielemans. We leren hem kennen als een vriendelijk mens met veel humor. Hij woont al 17 jaar op een Tjalk aan de kade. Hij is een ex-piloot die met 55 jaar van zijn rust mocht/moest genieten. Sindsdien heeft hij samen met zijn vrouw van een casco een riant woonschip gemaakt. We laten ons graag overhalen zijn schip te komen bekijken. Het is leuk te merken dat hij het bezoek heel spannend wil maken. We worden eerst op het dekterras geïnstalleerd met een drankje. Daarna nog één. Onze herhaaldelijke vraag om nu toch eindelijk het schip te bekijken doet hij met een handzwaai af. Eerst nog een drankje en het verhaal hoe alles tot stand is gekomen. Het is een leuk en lang verhaal. Eindelijk is het zover. De ronde gaat beginnen alsof het een museumbezoek betreft. Deuren worden gesloten omdat we die ruimtes pas later in onze rondgang mogen bezoeken. Halverwege de bezichtiging worden we verzocht even te gaan zitten voor een drankje en een fles wijn wordt opengetrokken. De tweede helft van onze bezichtiging wordt beëindigd met het leeg drinken van de fles. De avond is al vergevorderd en gegeten is er nog niet. De tocht terug naar ons schip wordt door overmatig drankgebruik op een nuchtere maag, een hachelijke en lacherige onderneming.

Aan de twee dagen die we hier in Maastricht doorgebracht hebben, bewaren we een heel prettige herinnering.